Italië zet composteerbaarheid op de agenda bij de EU, moet Nederland dat voorbeeld volgen?

Nederland stimuleert via innovatie‑ en klimaatbeleid actief de ontwikkeling van biogebaseerde materialen als vervanger van fossiele grondstoffen. Een concreet voorbeeld is de regeling Testen circulaire bio‑polyesters (STCB), die door het Ministerie van Klimaat en Groene Groei via RVO wordt opgeschaald van €1,5 miljoen naar €4 miljoen in 2026. Het doel van deze regeling is helder: het verminderen van fossiele grondstoffen, het stimuleren van groene chemie en CO₂‑reductie, en het opschalen van biogebaseerde materialen richting industriële toepassing. Daarbij is end‑of‑life‑geschiktheid geen primair selectiecriterium.

Tegelijkertijd blijft binnen de SUP‑richtlijn en de PPWR het juridische kader voor verpakkingen strikt gericht op hergebruik en recycling. Biobased en bio‑afbreekbare kunststoffen vallen in de praktijk onder dezelfde verplichtingen en beperkingen als fossiele plastics. Composteren wordt daarbij niet erkend als recyclagemethode, terwijl de huidige infrastructuur in veel lidstaten, inclusief Nederland, geen volwaardige recyclingroute biedt voor deze materialen. Hierdoor ontstaat een beleidsmatige paradox: de overheid stimuleert via subsidies de ontwikkeling van biogebaseerde polyesters, terwijl toepassing in verpakkingen door afval‑ en verpakkingsregelgeving structureel wordt beperkt.

Voor de verpakkingssector leidt dit tot reële risico’s. Bedrijven worden aangezet tot investeren in innovatieve biogebaseerde materialen, terwijl deze innovaties in de praktijk niet schaalbaar blijken binnen het geldende compliance‑ en afvalsysteem. Innovatiebeleid stuurt op materiaalvervanging, terwijl verpakkingsregelgeving stuurt op systeemverandering. Zonder beleidsafstemming ontstaat het risico op pilots die technisch succesvol zijn, maar juridisch en operationeel vastlopen.

Tegen deze achtergrond is het relevant dat Italië recent een concept‑wetgeving via de TRIS‑procedure bij de Europese Commissie heeft ingebracht gericht op gecertificeerde industrieel composteerbare verpakkingen. Italië beoogt hiermee binnen de bestaande PPWR‑kaders nationale uitzonderingen toe te staan op bepaalde verbodsbepalingen, mits verpakkingen biologisch afbreekbaar en industrieel composteerbaar zijn en voldoen aan EN 13432. Het voorstel erkent expliciet de rol van composteerbare verpakkingen in specifieke toepassingen, met name waar composteerbaarheid een aantoonbaar functioneel voordeel heeft, zoals bij voedselvervuilde verpakkingen of toepassingen die slecht te sorteren zijn.

Italië bouwt daarbij voort op een goed ontwikkeld GFT‑inzamelsysteem, met een goed functionerende UPV‑structuur in de praktijk voor composteerbare bioplastics en jarenlange praktijkervaring met gecontroleerde verwerking. Het doel is niet om composteerbaarheid als generieke oplossing te positioneren, maar om een werkbaar en juridisch duidelijk kader te bieden voor toepassingen waar recycling aantoonbaar geen effectieve route is.

Hierbij vragen wij ons als VUNL af:

  • Moet Nederland, net als Italië, binnen de PPWR‑kaders ruimte creëren voor gecertificeerde composteerbare verpakkingen in afgebakende toepassingen?
  • Is het niet noodzakelijk om innovatie‑ en subsidiebeleid beter in lijn te brengen met verpakkings‑ en afvalregelgeving, zodat we daadwerkelijk voorkomen dat we oplossingen stimuleren die we in de markt vervolgens beperken?