Nationale plasticheffing leidt tot stapeling van lasten en zet circulaire investeringen onder druk

Verpakkingsunie Nederland onderschrijft het belang van maatregelen die het gebruik van fossiele grondstoffen verminderen en de transitie naar een circulaire economie versnellen. Het uitgangspunt dat vervuiling een prijs moet hebben en dat het gebruik van virgin kunststof waar mogelijk moet worden teruggedrongen, is op zichzelf begrijpelijk.

De voorgenomen nationale plasticheffing roept echter serieuze vragen op over de wijze waarop deze doelstelling wordt ingevuld. De opbrengst van circa € 567 miljoen is primair opgenomen als begrotingsinkomst voor het Rijk en wordt niet rechtstreeks ingezet voor investeringen in recycling, circulariteit of ketenontwikkeling. Tegelijkertijd komt de heffing terecht bij bedrijven die via de Afvalbeheerbijdrage Verpakkingen (ABB), de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV) en het statiegeldsysteem al substantieel bijdragen aan de financiering van inzameling en recycling.

Daardoor ontstaat het risico van stapeling van lasten binnen dezelfde keten.

Gevolgen voor investeringen en circulariteit

De verpakkingsketen staat de komende jaren voor grote investeringen. Onder de Europese Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR) moeten bedrijven werken aan beter recyclebare verpakkingen, een grotere inzet van recyclaat, reductie van verpakkingsafval en naleving van nieuwe producteisen.

Juist op het moment dat deze investeringen noodzakelijk zijn, wordt extra financiële druk op dezelfde bedrijven gelegd. Hierdoor kan de beschikbare investeringsruimte voor innovatie, verduurzaming en circulaire oplossingen afnemen.

Daarnaast bestaat het risico dat de werking van bestaande instrumenten wordt verzwakt. Binnen de UPV worden bedrijven via gedifferentieerde tarieven gestimuleerd om verpakkingen beter recyclebaar te maken en meer recyclaat toe te passen. Een generieke nationale heffing staat grotendeels los van deze systematiek en geeft daardoor minder gerichte prikkels voor circulaire verbetering.

Economische gevolgen

De grootste zorg ligt echter in de economische effecten van een nationale maatregel bovenop bestaande Europese en nationale verplichtingen.

Een aanvullende heffing kan leiden tot:

  • hogere kosten voor Nederlandse bedrijven;
  • extra administratieve lasten;
  • doorberekening van kosten richting consumenten;
  • een verslechtering van de concurrentiepositie ten opzichte van bedrijven in andere EU-lidstaten;
  • verplaatsing van investeringen of productie naar het buitenland;
  • verschuiving van inkoopstromen naar landen waar vergelijkbare lasten ontbreken.

Daarmee dreigt een ongelijk speelveld te ontstaan binnen Europa, terwijl de PPWR juist gericht is op harmonisatie van verpakkingsregels binnen de Europese Unie.

Circulariteit vraagt om een bredere benadering

Bovendien is circulariteit breder dan alleen het verminderen van het gebruik van virgin kunststof. Circulariteit gaat ook over afvalpreventie, hergebruik, levensduurverlenging van producten en materialen en het verminderen van de afhankelijkheid van eindige fossiele grondstoffen door waar mogelijk over te stappen op hernieuwbare alternatieven.

Een effectief circulair beleid vraagt daarom om maatregelen die daadwerkelijk bijdragen aan deze doelstellingen en investeringen in de keten stimuleren in plaats van beperken.

Conclusie

Verpakkingsunie Nederland heeft zorgen over de voorgestelde nationale plasticheffing in de huidige vorm. Niet omdat het doel van minder gebruik van fossiele kunststoffen ter discussie staat, maar omdat de gekozen uitwerking kan leiden tot stapeling van lasten, extra administratieve druk, verminderde investeringsruimte en een verzwakking van de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven.